Ledigheid

Het eindeloze rondkijken en me dingen afvragen. Die muur, een boom, tak, vogeltje. Niets samenhangends, geen coherentie die leidt tot begrip, of een of andere vorm van inzicht.

Het enige dat ik in kan zien is dat er geen allesomvattende logica geformuleerd kan worden die alles in een kader zet waarvan we iets zouden kunnen begrijpen.

En dan blijft verwarring over. En de warmte van een plek waar je je min of meer thuis voelt. Ook al knaagt er een constante onvrede in je die maakt dat je denkt dat je ergens anders moet zijn. Daar waar het geheim ligt, waar het zich aan je zal gaan openbaren, waardoor je een ingang vindt naar inspiratie en dat om kan zetten in iets waardoor je die inspiratie kunt doorgeven aan anderen. En waarom? Omdat je misschien vermoedt dat anderen diezelfde zoektocht doormaken en je ze daarin wilt ontmoeten.

Die geheimzinnige plek, die je graag zou vinden maar die je uitgumt met de ZEN achtige gedachte dat de plaats niet belangrijk is maar wel hoe je hem ervaart.

En toch. Nu ik hier zit, op een parkeerplaats van een natuurgebiedje, in een langzaam afkoelende auto, met het getik van de regen op het dak, voel ik me anders dan zojuist thuis. Er is hier niemand die iets van me wil, of naar me kijkt, er is hier niets dat refereert aan de eisen van een gezin, er is hier alleen maar getik op het dak en de vraag wanneer ik het koud krijg.

Ik heb hier niet gelijk de neiging om online te gaan zoeken naar het vullen der ledigheid. Deze ledigheid hier heeft iets geruststellends, ik lijk hier niets te hoeven. Een kleine cocon in een natte koude wereld, ik zit er in en typ mijn woordjes.

En hier zijn allerlei dingen ook opeens zinloos. Het mooiste beeld wat ik ooit zou kunnen maken, als ik het hier nu in mijn handen had zou ik er helemaal niets mee kunnen. Hier is geen verbinding met wie dan ook om het te delen.

En dat is best fijn. Dat zinloze. Ik vraag mij af als ik in deze rare omstandigheden beeld zou maken, en dat online zou delen, of er dan iets van die ruimtegevende zinloosheid over zou komen, of op zijn minst het verlangen daarnaar zou oproepen.

Maar daartoe voel ik geen inspiratie. Ik vind woordjes schrijven op dit moment makkelijker. Het maken van beeld roept een barriere op: het moet goed zijn, iets te melden hebben, boven de middelmaat uitsteken, kortom een heel arsenaal aan eisen die me al uitputten bij de gedachte er aan. 

En dan komt het moment dat ik ook in woorden ben uitgepraat. Dan is er de kans dat ik toch dat schetsboekje pak en het zoveelste tekeningetje maak van een landschap, een lichaam, een compositie waarin beiden hun plek zoeken. Een herhaling, en tegelijkertijd een bevestiging van een verlangen. Laat me vrede vinden, laat me mezelf verbonden voelen met die onbegrijpelijke wereld, laat me niets meer hoeven afvragen, geen antwoorden meer zoeken, en als een klein grassprietje groeien, gewoon omdat dat mijn aard is.